14-02-12
update 27.02.2012 : de BURCHT van Meuzegem .........deel 1
De organisatie van de tentoonstelling "Mösegemnemsis" neemt nogal wat tijd in beslag, daarom zullen enkele updates wat later afgewerkt worden.
Enkele kunstenaars die al ingeschreven hebben om een kunstwerk af te leveren voor deze tentoonstelling vragen of er foto's beschikbaar zijn van de binnenzijde van de kerk.



21:01 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
update nieuwe info over pastoor Peeten met dank aan Mia Verbanck / parochie OLV Berchem en Ivo Billiaert/abdij Postel
16.03.1938 - 18.07.1952 Norbertus Gerardus Peeten °Antwerpen 07.11.1881 +Postel 28.07.1959
Norbertijn in de abdij van Postel waar hij op 09.10.1900 het witte habijt ontving.
Na zijn intrede twijfelde hij sterk aan zijn roeping en keerde naar Antwerpen terug waar hij de boekhouding verzorgde van Antwerpse bedrijven.
Hij reisde als handelsreiziger veel in Duitsland. Hij was veeltalig en van alle markten thuis.
Zijn filosofische gedachten bracht hem terug naar Postel en daar werd hij een tweede maal ingekleed op 09.10.1913 en begon hij zijn kerkelijk jaar noviciaat in Tongerlo.
Bij het uitbreken van WO I is hij terug opgeroepen voor militaire dienst die hij tot het einde van de oorlog aan het front heeft doorgemaakt als soldaat-brancardier.
Hij werd uiteindelijk geprofest op 11.07.1920 en priester gewijd op 08.04.1923.
In Postel was hij lector filosofie en op 03.05.1926 werd hij er circator (toezichter op de kloosterdiscipline) en cellier (verantwoordelijke voor de keuken en de aankopen + de zorg voor de abdijboerderij).
Op 11.06.1926 werd hij onderpastoor in Dessel en op 13.08.1929 was hij prior in Poster, alsook leraar in de wijsbegeerte.
Na een lange ziekte werd hij op 07.07.1931 benoemd tot onderpastoor in OLV Middelares in Berchem

Van Peeten was bekend dat hij een "boeiende verteller" was, zo deed hij er minstens 3 jaar over om een jaarlijks huisbezoek af te ronden.
Er werd verteld dat hij zijn parochianen Gregoriaanse gezangen aanleerde en alsook Vlaamse kerkliederen.
Bij de inval van de Duitse troepen in mei 1940 sloeg hij op de vlucht voor 17 dagen.
Drie jaar later op 23.06.1943 moesten hij en zijn parochianen afscheid nemen van hun klokken. (zie ook artikel "Bim Bam Meuzegem").
Na het evangelie van de eerste mis op zondag 30.12.1951 wilde pastoor Peeten naar de preekstoel gaan, maar op de onderste trede van het altaar misstapte hij en viel in het koor.
Met gebroken bekken bleef hij 5 maanden immobiel. Op 07.06.1952 werd hij van het Sint-Janshospitaal terug naar de pastorij gebracht waar hij 1 dag later zijn ontslag gaf.
Dan is hij terug naar de abdij van Postel gegaan waar hij lector moraaltheologie werd. Hij overleed in de abdij op 28.07.1959 en is op het abdijkerkhof begraven.
21:01 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
10-02-12
Meuzegem ....... anders bekeken ......deel 9

.... Neerpoorten ziet alle kleuren van de regenboog .....

.... wie doet beter dan ........ fotosketcher ......
2011 ....donkere wolken .....
voorbij het Pitsemburgbos
.... de eerste sneeuw Kerst 24 december 2010 ....
.... de eerste sneeuw 2012 .....
...... de kerkdries .... anno 1977 .....
..... voila ..... nu weet ge het ook !
...... de poortwachter van de Meuzegemse Beemden .....

....... Jammer
...... maar deze pluimstaart heeft de straatovertocht
in Neerpoorten ......... NIET GEHAALD .........
22:57 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
30-01-12
"VASTENAVONDKLAP" en andere gedichten van de MUZE van Meuzegem......... JF Stallaert ................deel 3
1814 : 21 november vierde Pachter van Overstraeten zijn 25-jarige jubile met Juffrouw Petronella Peeters. Ook JF was van de partij en vervaardigde volgende kluchtdicht :
Ik gaen wat zingen, soo ik plag, Op desen bleyden jubeldag,
Van dit fris en nog jeugdig paer Die heden vyfentwintig jaer
Syn in het echte trouwverbond Nog wel te pas, kloek en gezond.
Zij schijnen beyde, soo men ziet, Nog tot de dertig jaeren niet,
Besonder de Jubilares; Zy sou nog maeken goed cares;
Indien sy nog te trouwen waer, De beste jeugd, die liep haer naer;
Zy is soo jeugdig, fris en vet, Geen rimpels in haer hoofd geset,
Zy hoeft geen bril, is rap in ‘t gaen, Moet voor geen meysken achter staen;
Zy overtreft ook op den dans Die dansen om den rosenkrans,
Soodat zy eens op dese wijs Gewinnen heeft den eersten prijs,
Omnium votis, soo men segd, Is desen prys haer toegelegd.
s’Is ook een minnaer van den boog, Waermee sy schiet seer juist en hoog;
Soo schoot sy lest een vogel af, Een tenne schotel, ‘t is geen kaf
Soo dat er niet en wordt gedaen Of sy weet d’hand er aen te slaen ;
En boven al, dat haer wel staet, Zy houd in alles regelmaet
Doet nog haer keuken allen dag, Soo snel als sy wel eertyts plag;
In ‘t maeken van den coffe, ziet Daerin kent sy haer meester niet;
Soo dat ik tot lof zingen mag Dit rymdicht op haer jubeldag.
Nu keer ik my tot haeren man, Waervan ik ook wat seggen kan
Sal maer een klucht verhaelen gaen Van dat hy onlangs heeft begaen;
Van ander daeden, wijs beleyd, Dat is van overlang gezeyd.
Het oude spreekwoord leerd en segt : Haelt geen ou’ koeijen uyt den grecht.
Wel hoed dan, vrinden, ‘t misverstand Van onsen vrind, den Jubilant;
Let eens hoe dat een wysen man, Bij wijlen ook eens missen kan.
Lest kwam een waegen reyden aen Met sacken patatten gelaen,
Terwyl den man stond aen syn poort ; Heel vlugtig kwam den waegen voord.
Hy sprak, Caloeter, blijf eens staen, Tot dat ik hier heb afgedaen,
De sacken die op waegen sijn Die ik vermeyn te syn de mijn’,
Ik ben het draegen niet gewent Maer mits hier niemant is ontrent,
Soo sal ik selfs den draeger sijn, Al kost het my wat moeit’ en pijn.
Caloeter stond geheel verbaest; Hem dogt dat Overstraeten raest;
Sprek : wel, Van Overstraeten, ziet, Syn dit van u patatten niet;
Gy kent de peerden, en ook mijn, Hoe konnen sij dan de uwe zijn ?
Hiermede reed Caloeter aen En liet Van Overstraeten staen,
Die al drupneusen ging in Huijs, Met ‘t hert vol speyt en groot confuijs.
Hy dagt : komt ‘t uijt, dit vremt geval, Een ider met my lachen sal ;
En inderdaed, wie soude niet Lachen als soo een klucht geschied !
Nu als Caloeter t’ huijs quam aen, En aen syn meesters deed verstaen,
Het vies geval op dien dag Berstten zy uijt in eenen lach;
Nu ziet men, was’t, hoe dat een man Van wys beleyd ook missen kan.
Hiermee koom ik te sluyten dit; Blijft hier of daer wat buijten ‘t wit,
Dat sal men op het vyftig jaer Hier singen van den Jubelaer.
Laet ons hun wenschen veel geluk En dat zy, met of sonder kruk,
Nog vieren hunnen jubile Van vyftig jaer, in liefd’ en vre.
1792 : "Rym-zang opgedraegen aen Mynheer de Backer, woonende op den Bouw, door de Musikanten van Merchtem in de maend mey 1792
Den lange wintertyd en stuere koude daegen, Die Boreas ons gaf door sneeuw en haegelvlaegen,
Benam al onse vreugd, vernielde ons joleyt ; ‘T Musiek scheen in den rouw door ‘s winters bitterheyd
Men hoorde nouwelycx nog instrumenten spelen, Noch ‘t oversoet geluyd der aengenaeme velen ;
Basson en clarinet, walthorens hol geluyd, ‘T Had al een wintertoon, ook d’aengenaeme fluyt !
‘t Is niet alleen bij ons, men vind het by de dieren, Die in het eensaem woud, in de warande swieren:
Haer aengenaem gezang van vogels altemael Is ‘s winters al in treur, men hoord geen nagtegael ;
Hun sang die was gestilt, zy hadden ‘t woud verlaten, Sy vluchtten al gelyk als ontrouw onersaeten,
Sy trocken al uyt ‘t land naer eene vremde kust, Waer s’hadden warmer logt, nae hunnen wensch en lust
Maer soo den winter fel van hier was afgeweken, En dat den lentetyd den kop heeft opgesteken,
Het woud verwermt, vergroent door Phebus straelen heet, Sag m’hun al weer in ‘t land, en tot den sang gereet
Men hoorde dag en nacht ‘t gesang de nagtegaelen, Koeckkoeck en ander meer, te veel om op te haelen
Haer vreugd is ongemeyn, ‘t scheynt eene melodey Door hunnen soeten sang met desen groenen mey
1812 : "Houwelyks-min-triumph aen mynen vriend Josephus Briers, orkest-meester der Harmonie en Joanna goossens, een liedeken opgedraegen door de sangers deser kercke aen Joseph Briers, nieuwen organist, in den jaere 1812, naer het overlyden van Laurentius Schuerewegs"
"kalckoene klagt op het tractement van Mr Jacobus Briers"
"Vreugde-gezang ende gelukwensch in eerbied opgedraegen aen Petrus Raymondus de Kock en de Joanna Catharina Briers, in egt getreden .....
1791 - 1798 Gedichten tussen de Heer van Merchtem , Peytier en JF
"1791- Aenspraek van den graef van Half-Vasten aen Mr en Mev Peytiers"
"1798 Aen een myner vrienden korts daernaer in Huwelyk getreden"
"Op het vertrek van den heere van Merchten ende syne Gemalinne naer de stad Mechelen, hun aldaer domicilierende"
"Op de wederkomst van den Heer J.A. Peytier"
"Op den trouwdag van Jo Ed Peytier"
"Lofgesang op de blyde geborte van Patricius Peytier"
1804. Jan -Frans leed dat jaar "aen eene doodelijke ziekte" . Hij herstelt en dankt "de Schepper" met een gedichtje van Vondel uit 1621 "Gebed uitgestort tot God over mijn gedurige kwijnende ziekte"
1806-1807-1808 en 1818 dichtte hij "Nieuwjaerswenschen aan den heer pastoor Horckmans" die hem vereerde en hem meermaals aan zijn tafel uitnodigde.
Gy, lieven herder, ‘k bid, beschermt my in u stal, beschud my van den worf en ander ongeval
Opdat ik, naer den tyd van dit ellendig leven, Aan mynen Heer en God mag dees getuygnis geven
Myn herder Horckmans heeft my trouw beschermd, gevoed Met d’hemels medecyn, en van den wolf behoed
........
‘k Wensch dat u herderstaf mag bloeyen als het graen, Dat men in somertyd siet in de velden staen
‘k Wench dat g’een ryken oost, veel vrugten moogt vergaeren, En dat uw schaepenstal mag blyven uyt beswaeren
........
Eer dat den daegeraet verschynt op onse kusten, Ontwaekt hy door de sorg, hy kan niet langer rusten,
Maer peynst wat noodig brood hy sal zyn schaepen bien, Waerdoor zy suyver, reyn, ten hemel mogen vlien.
1807 "Gedicht op Petrus Opdebeeck, als schietkoning van St Antonius Gilde
1809 "Gedicht ter gelegenheid der ambtsbeetreding van den Heer Joannes Anthonius Taverniers, als peisrechter van ‘tcanton Assche"
Die bedankt JF met een klein gedichtje :
Myn hert was opgepropt, ‘t belette my te spreken Neemt aen dan mynen wil voor woorden die ontbreken
‘k bedank u al te saem, dog ben niet dien gast Aen wie al desen roem en lofbetuyging past.
1801 "28 augustus verjaring van den trouwdag van Heer en dame Peytier"
Ja, ‘t is maer al te waer, ‘t lot heeft u opgeleyd Den mond te steken aen den kelck van bitterheyd
deer dat hy soetigheyd de lippen konde schenken Van u, mevrouw, van u, Mynheer, wat hard gedenken
Daer is geweest een tyd, dat uw gevoelig hert Was overgoten met een onuytspreekbaar smert
Wat hebt gy dan beproeft, wat heeft men u doen lyden Naer onweer schynt de zon, naer lyden komt verblyden.
Gy hebt gezegepraelt, in weerwil van den nyd, En van uw naeste bloed ender baetzuchtigheyd.
Thien jaeren zyn vervuld van dat gy hebt verkregen, Den zagten egten band door huwelykschen zegen
Gy wierd, tot zoeter vreugd, van onlust dan verlost Men agt den pand te meer als hy ten duersten kost.
1812 "aen den eerwaarden heer Josephus van Zeebroeck, vijf en twintig jaar pastoor te Londerzeel"

In deze tijdsperiode bestond "Karnaval" nog niet , maar alle symptomen vind je terug in "vastenavond-sottendag", vanouts een Germaans feest. Vastenavond was de vooravond van de vasten, die begon met Aswoensdag.
Vastenavond was feestvieren, ruwe spelletjesspelen met dieren, gansrijden, katknuppelen, verkleed dansen liefst in de klederen van de partner; de zot werd de koning, de slaven werden de meesters; kortom een laatste kans om je vol te proppen.
Op vetten dinsdag, de dag van Vastenavond, werd al het vet in huis opgemaakt omdat het anders zou bederven. Er werden spekpannekoeken en oliebollen gegeten en de drank vloeide rijkelijk. Nadien was het 40 dagen sober leven tot stille zaterdag. De dag na vetten dinsdag was Aswoendag, dan werd de palmtakken die vorig jaar gebruikt werden voor Palmzondag verbrand tot as. Nadien met olie vermengd en dan toegediend als kruisje op het voorhoofd.

1813 "Tracktement bij JJ van Overstraeten, Vastenavondklap, verhaelende eenige belachelyke gebeurtenissen voorgevallen aen de persoonen die alhier volgen in het gedicht........
........ de pastoor, onderpastoor, de Backer, de Reus, Briers, van Kerckhoven, de doctor en de gastheer zelf."
Wat wil ik alhier versieren Ofte schryven tot plaizieren,
‘t Geen op desen blyden dag Idereen vermaken mag?
‘t Is by ons veel jaer geleden Doen men wird te gast gebeden,
‘t Zy by d’een of dander vrind Dat m’iet las dat tot vreugde dint

Dus om dit te onderbouwen Alhouwel myn geest gaet flouwen,
Om des tyds omstandigheyd, Heb ik nog dit dicht bereyd,
Jae, gemaeckt voor de goey vrinden Die zich hier aen’t berd bevinden
By den alderbraefsten man Mits hy wel tracteren kan.
maer, om na elcx tand te fluyten Soo en kan ik my niet uyten.
Is ‘t te kort of lang geralt ‘T Moet dan syn gelyk het valt ;
En van ider wel genomen Een Poeet en mag niet schromen
Word gy hier of daer gefrult Legt een plaester van geduld
Om hier tot de saek te komen Van dat ik heb voorgenomen,

En te brengen elk tot lach, Is den vastenavonddag
Dag van gecke spotternyen, Dag van viese sotternyen
Dag van malle dertelheyd, Dag van ongebondenheyd.
Wat siet men daer niet geschieden, Van soo jonge als groote lieden !
Ider op besonder wys Wilt behaelen d’hoogsten prys.
D’een die loopt met kromme benen, Bult van ‘t hoofd tot aen de teenen,
Lyn, die treckt Cornelis broeck aen, Styve Nelis Lyntjens rock aen;
En soo loopen sy de straete, Sot, sottin, in malle praeten
......
Men siet ook d’hel uytgelaeten, Duyvels loopen langs de straeten.
Op den vastenavonddag Soo men over twee jaer sag.
Oock syn er nog uytgelaeten, Die daer loopen langs de straeten
En verthoonen wat is geschied Tot iemands leet ofte verdriet.
Eventwel ik gaen dit volgen, Al was elk op my verbolgen,
‘k Wil gaen haelen voor den dag ‘T Geen een tyd verborgen lag.
‘t Sal maer syn tot recreatie Van de g’heele invitatie,
‘t Is nog heden soo het plag, Vastenavond-sotten dag
07:33 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
26-01-12
De MUZE van Meuzegem , JF Stallaert Deel 2
Intussen is Jan-Frans op jonge leeftijd gehuwd met Catharina de Witte uit Meldert en krijgen ze tussen 1773 en 1784 zeven kinderen, waarvan Henricus , die de stiel voortzet en het nageslacht nog beroemde Stallaerts bezorgt : de kunstschilder Karel en de filoloog Karel-Frans.
Deze laatste verzamelde de gedichten van zijn grootvader : " Kerstliederen, Nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen, en liedjes ter opwekking der vroolijkheid, drinkliederen, veld- en minneliederen."
1780-1795 "Driekoningenlied"
Hoort, Sion, wat ik heb vernomen Van een ‘s hemels bode, die my heeft verklaert,
Dat onsen Saligmaeker is gekomen Uyt een suyver maegd, die hem heeft gebaerd.
Dus en weest niet meer beswaerd; Gaet met vreugd nae Bethleem waerd,
Met u stemmen klaer Singt den jongen Koning lof in ‘t nieuwe jaer.
.......
Tot Bethleem moeten wy hem gaen soeken, In Davids stad, zoo ons den Engel zeyd’ ,
Gewonden in arme leyne doecken, In een houte kribbeken is hy geleyd.
Aenziet syn ootmoedigheyd En syn hooge Majesteyt,
En aenbid hem daer, Singt den jongen Koning lof in ‘t nieuwe jaer.
.........
Laet ons hem gaen soeken sonder flouwen Ende sien waer onsen jongen Koning woont,
Laet ons ook devotelyk aenschouwen Met wat kroon syn moeder hem heeft gekroond.
Oodmoedigheyd sy hem bethoond, Ziet hoe gy u hier vertoond,
Gy hooveerdige schaer, Singt den jongen Koning lof in ‘t nieuwe jaer.
...........
Gy, hemels Sion, door dese dingen Weest in den Heere verbleyd met groote vreugd,
Wilt nu eenen schoonen lofzang singen Voor uwen Koning, die u soo heeft verheugd;
Want gy hem wel loven meugd, Voor syn gratie ende deugd,
Ook syn liefd aen elk kenbaer, Singt den jongen Koning lof in ‘t nieuwe jaer.
1780-1795 "Mei-Liedeken op de stemme van : Je ne suis qu’une bergère "
Weest gegroet, myn herderinne, Troost en vreugd van myn jong hert,
Ik u boven al beminne, Weest den troost in myne smert ;
Laet my weyden uwe schapen, In dees groene klaverwei,
Laet ons saemen vreugden raepen, Met dees aengenamen Mey
1780 - 1795 "nieuw Minnelied op de stemme van : Pauvre Jacques "
Schoon Clarinde, die myn hert ontrust, En lyden doet vreede pynen,
Wanneer sal, naer myn wensch en lust, Den blyden dag der trouw verschynen !
Noyt vind ik rust, by daegen nog by nagten, Als ik ben ver van myn vriendin,
Myn ziele treurt, myn hert is vol van klagten Ach, wat moet ik lyden om die ik min !
1780-1795 "Lied tot vermaek en Lof der Musikanten van Merchten, op de stemme van : Tantum ergo "
UIT DE LOFSPRAAK DER MUZIEK
Ovidi, die Parnassus’ hemelryk verheft, Geeft g’lorie aen ‘t musiek, dat alles overtreft;
Merchtensche compagnie, keert weer tot u beginnen, Van het soet musikael, wilt dese konst beminnen,
Legt een vast fondament in liefde met malkaer, Dan sal de compagnie nog dueren menig jaer ;
Dan sal men ondereen nog vele vreugd genieten En met Bacchustraen ons drooge keel begieten.
‘t Geheugd u ende my, hoe dat het voortyts gonck En in wat soet vermaek men bier en wynen dronck ;
Het waere my te lang dit alles op te halen, Waer dat men schonck den wijn in steden, ruyme zalen,
In dorpen groot of kluyn, by daegen of by nagt. ‘tMusiek brengt ‘t grootst vermaek aen die de konst betragt.
TOT LOF DER MUZIKANTEN.
Confraters, wat soet vermaecken Is’t als wy syn saem vergaerd !
Wie kent aengenaemer saeken Hier op dese ronde aerd ?
Als men hoort de instrumenten In accoord op maete slaen,
En daerby vrolyke venten : Geen plaisir en heeft daer aen.
Laet ons saemen accorderen In liefde en minsaemheid,
Ende nergens in generen, Het musiek swygt voor gen tyd.
Neemt fluyten en clarinetten, Violen, octaef daer by,
Walthorens, Basson, wilt letten, Op de maet maekt melody.
Wilt, vrienden, hier vrolyk wesen, Met dies aengenaeme feest,
‘t Plaisir kan de pyn genesen En verkwikken onsen geest.
Laet nu alle droefheid vaeren, Maekt plaisir in eer en deugd,
Opdat wy nog vele jaeren Hier genieten dese vreugd.
Schenckt de glasen vol in ‘t ronde, Bacchus traen die smaeckt seer soet,
Drinkt se uyt tot op den gronde, ‘t Sal u maeken wel gemoed.
‘t Is het musikanten leven Altyd drinken buykxken vol;
Die komt voor den drank te beven, Mag niet leeren mi, fa, sol.
1780-1795 "Liedeken op de aengenaeme groenigheyd van velden, weyden en bosschen, op de stemme van Lest kwam Cupido my ontwekken"
O woud, waer ik met myne schaepen Soo dikwyls vind myn herten lust:
Woud, waer de herders vreugd in raepen, Woud, daer men is soo seer gerust;
Woud, ‘t welk den staet oft hooge prachten, Oft haet, oft nyd, niet en wild agten,
Gy syt de moeder van de rust. Wat baet scepter aen de vorsten
Sonder olyftakken verciert ? Naer staet, naer pracht, sy altyd dorsten,
Hoe groter ryk, hoe meer verdriet : In ‘t woud hoort men Thyrsis spelen
En Celadon een deuntje kwelen, Daer ‘t pluymgevogelt tiereliert.
Nu, sing eens dan, myn beminde, Singt hy, ik speel de moesel fluyt ;
Den echo laet door vreugd hem vinden, En bootst ons naer met soet geluyd ;
Wy vinden lust in soete lusten, Geen hofsche tong komt ons ontrusten
Ons rust vry groote rust beduyd.
In plaets van most of soete wynen Met kruyt en suyker ondermengt,
Drinken wy ‘t voedsel der fontynen, ‘t Welk ons geen hooft of herssens krengt ;
Hun huys vol goude leir of laken, Wy, ons met groen gewas vermaken,
‘t Geen de natuer te voorschyn brengt. Leeft woud, ‘t welk weerdig is gepresen,
Leeft woud, leeft, moeder van de jeugd, Leeft lang, en die daer inne wesen,
Leeft , leeft, o vreugd - lof van de deugd,
Leeft, woud, vervremt van hooge staeten, Leeft, woud, ‘t welk ik noyt sal verlaeten,
Want gy alleen syt myne vreugd.
1808 gedicht voor pachter van Overstraeten "Testament van het verken"
voorafgegaan van deze tekst : Op heden den dryentwintigsten december 1808, hebbe ik, vet gemest varken, gezond van lighaeme, gaende ende staende, myn verstand en memorie over alles magtig ende volkomentlyk gebruykende, gelyk dit aen mynen Meester ende Meesteres klaerlyk bleke, overdenkende de sekerheyd des doods ende de onsekerheyd van de ure der selve; daeromme, niet wenschende uyt dese weireld te scheyden sonder alvooren gedisponeert te hebben van myn vet gemest corpus, dit myn testament gemaeckt, uyt eygen, vryen, liberen wille, ongedwongen van iemanden, revocerende, casserende, dood ende te niet doende alle voorgaende testamenten, codicillen ende alle andere instrumenten smaek hebbende van uytersten wille voor date deser eenigsints gemaeckt, ende sal dit alleen worden achtervolgt ende syn effect sorteren. Volgens de schikkingen dezes testaments waren de pachter en de pachteresse algemeene erfgenamen, op last van de volgende legaten : aan den pastoor, den kop, aan den onderpastoor, het hert en eene ribbe, aan den doctoor, de tong, aan Afschrick, het recht oor, aan zijne vrouw, eene pens, aan Briers en zijne vrouw, twee nieren, met de licht, aan kerckhoven en zijne vrouw ........
........ twee lieve menschen Die quaemen tyd aen tyd naer myne dood te wenschen,
Twee pinten lever crans, En voor ‘t lest aen Papa Stallaert, de maeg,
Den smal est, blaes en steert, de vetpens en den kraeg.
.....
‘k Heb ‘t u al gelaeten, ‘ k wensch, dat het u baeten mag,
En dat hy nog van ooms en nigten erft : ‘t En gebeurt dagelyckx niet, dat er een vet verken sterft.
1809 tractement bij van Overstraeten, JF vrolijkte het feest op met een "klagt-lied" "het schaep wordt ter dood geleyd ende spreekt aldus tot syne Meesteresse met de stemme van : Pauvre Jacques, quand je suis pres de toi : (Lisabeth is de 14-jarige dochter van de pachter)
Ach, myn Meesteresse, wat gaet u dus aen, Dat ge myn soet leven gaet verkorten ?
Ik, die in ‘t minst u noyt en heb misdaen, Wilt gy het jeugdig bloed doen storten ?
Ik was verblyd als Lisabeth my leyde Naer het geklavert’ of groene wey,
Waer ‘k my verlustigde aen haer zyde, Onder ‘t gespel van d’herders melody.
Wy waeren saem in de wellustigheden Van ‘t groene woud, onder ‘t vogelgezang,
Sy streelde my door zang en soete reden, ‘k Huppelde en sprong somwylen uren lang.
Sy bragt my t’huys en leyde my te ruste, En sloot de deur tot myne sekerheid,
Ik twyfel nog of sy my niet en kuste, Sy had de grootste sorg voor myn onnooselheid.
Ik toonde haer al myne minsaemheden, Ik toonde haer al myb getrouwigheid,
Ik toonde haer al myn eenvoudigheden, Maer, ach! ‘T onnoosel schaep word nu ter dood geleyd.
Waarop de Meesteres (antwoordde met zang en met vol geduld en troost tot het stervende schaap) op de stemme van : Locht op mijn lief Cathrientje
Ag, soete schaep, het doet my pyn, Dat gy nu moet gaen sterven,
En Liesbeth sal ook droef syn, Dat s’u nu moet gaen derven ;
Maer, hoe het gaet of niet, In alles leyd verdriet,
Wy moeten ook eens sterven ; Daerom steld u gerust ter dood,
G’en sult toch niet bederven, Want ik de vrinden heb genood.
Die sullen maendag sonder fout, Hier op u uytvaert wesen,
Tot eten van ‘t gebraed en bout ‘k Wed, gy sult syn gepresen,
Dat g’u hebt wel getoeft, En vet syt soo ‘t behoeft,
Het is een deftig leven Als men naer daed nog lof behaelt
Wilt voor geen sterven beven, G’hebt noyt in deugd gefaelt.
Wederantwoord van het schaep :
Wel, als t soo is, Meesteresse soet; Soo wil ik van hier scheyden ;
Trekt af myn leste druppel bloed, ‘k En vrees geen dood nog lyden.
Stelt my u vrinden voor, Ook alle die op ‘t spoor,
Hier aen de taefel komen ; U vrinden syn de myn, vrindin
Dat’t hun mag wel bekomen, ‘t Vet druppen van de kin
Meesteresse singt aldus tot haere vrinden :
Couragie, vrinden, mits het schaep Stirf met soo goeden wille,
Tot uwen lust valt niet in slaep, Wilt hier geen tyd verspillen ;
Eet van den vette bout, Daer ligt nog een in ‘t sout,
Couragie, lieve vrinden, Myn hert ook op de tafel staet,
Beneffens myn beminden ; De vrindschap best versaed.
21:24 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
21-01-12
de MUSE van Meuzegem ..... Jan-Frans Stallaert deel 1
In 1868 schrijft Karel Frans Stallaert , letterkundige, filoloog, archivaris, leraar, publicist, taal- en geschiedkundige, kleinzoon van Jan-Frans Stallaert, een brief aan zijn kinderen met daarin de mededeling dat hij de gebundelde gedichten van zijn grootvader gaat uitgeven.
"Uw overgrootvader had onze moedertaal lief en heeft die op eene niet gansch onverdienstelijke wijze in dichtmaat beoefend. Indien ons Dietsche Vaderland de gerustheid in zijn bestaan had mogen blijven genieten, welke de vereeniging met Noord-Nederland het geschonken had, zou ik de zwakke voortbrengsels zijner pen wellicht onwaardig geacht hebben van den schat onzer Nederlandsche dichters. Edoch, de dreigende gevaren waaraan onze volksgeest is blootgesteld, en de zucht, die mij bezielt, om dezen zoo laat mogelijk in de toekomst levend te houden, hebben mij aangezet om de keurigste gedichten van uwen overgrootvader openbaar te maken, opdat gij het U, des noods daardoor, tot plicht maakt uwe Vlaamsche nationaliteit getrouw te blijven, en dat de trouw geblevene Vlamingen er een middel aan hebben om U, des noods, ‘t welk God verhoede ! Tot het Germaansch element terug te roepen.
In desen geest wijd ik U de Dichterlijke nalatenschap toe van uwen grootvader, en zegen U,
uw vader, Karel-Frans Stallaert
Schaarbeek, den 23sten september 1868."
Joannes Franciscus is geboren op een hofstede te Meuzegem , niet ver van de pastorij .......... heden Meuzegemstraat 88 , waar enkele generaties geleden het gezin d’Ours-van Hemelrijk en d’Ours-d’Ours heeft gewoond.
J.F. is er geboren op 3 december 1751 en een dag later gedoopt als "Franciscus". Hij was de zoon van landbouwer Adrianus Stallaert en Elisabeth Stallaert . (Adriaan trouwde met zijn nicht Betteken, die 100 meter verder woonde op het Hof ter Eyken) Het gezin bestaande uit 9 kinderen kende veel pech en had vooral af te rekenen met ziekten. Zo stierven in 1746 op minder dan 2 weken tijd vier van hun kinderen, Joos 2 jaar, Adriaen 4 jaar, Jan-Frans 8 jaar en Jacobus 15 jaar. Twee jaar later begroeven ze Jan-Frans amper 2 jaar oud en op 4 december 1751 stierf moeder Elisabeth bij de geboorte van een tweeling. Een doodgeboren kind nog snel gedoopt door de vroedvrouw werd samen met de moeder begraven en de andere zoon werd "gebaptiseerd" als Franciscus, maar kreeg later "Jan" als voornaam. Vader Adriaen bleef achter met Jan-Frans, de kleine Barbara 3 jaar, Anna Maria 11 jaar , Jan Baptist 16 jaar en Hendrik 18 jaar. Vermoedelijk bekwam vader Adriaen een deel van de erfenis van vrouw Elisabeth en kon hij zich in 1759, na de dood van zijn schoonmoeder Catharina Timmermans, vestigen in het Hof ter Eycken.
De kleine J.F. werd toevertrouwd aan zijn tante Anna Maria en oom Joannes Baptist van Elewyt, die bakker was te Merchtem op de verbrande hofstee op de Varkensmarkt. (heden Cafe Maalderij)
Zij bleven kinderloos maar de kleine JF werd goed opgevangen. Zijn oom stuurde hem op jeugdige leeftijd naar de plaatselijke dorpsschool in de hoop een bekwame opvolger te hebben, en dat werd hij later ook , bakker op dezelfde hofstede.
Net 20 geworden stuurde zijn oom hem naar Brussel "om zich ook met de fransche taal gemeenzaam te maken"
Zijn latere boezemvriend Christophorus Brambilla de Flesschieres , burgemeester van Merchtem, dicht hem toe :
Moesten hem zijn vrienden zoeken,
Zij vonden hem op eenen kant Met eenen boek of schrift in d’hand.
't Zij voor het schieten op de doelen,
‘t Zij voor het kappen naar den haan, Of ‘t bollen op de rollebaan ;
‘t Zij om den vogel af te lappen, ‘t Zij om te vezelen of te klappen,
Of om te kaatsen met den bal, Hij was den eersten overal.


JF was een liefhebber van muziek, speelde clarinet en fluit en had de kunst van het dansen behoorlijk onder de knie.
Toch verzuimde hij de dichterlijke muze niet ..... vooral Judocus van den Vondel en Jacobus Cats worden zijn afgoden.
Vond men hem weer met vlaemsche boeken , Zitten op kanten en in hoeken
Op d’uer dat men in ‘t bed nog ligt, Aen ‘ t maeken van een nieuw gedicht.
Rond 1750 broeide er al iets in Merchtem om de muziekkunsten te bundelen. In 1777 werd de basis gelegd voor een Muziekmaatschappij. Zo staat het geschreven in een dokument van 1817 :" Dankschrift ..... opgedragen aan Sieur Guillielmus Beeckmans en zijne echtgenote door de Harmonie van Merchtem ..... en omdat gij komt binnen de Merchtemse Harmonie omtrent veertig jaar gewis begonst ......."
Officieel moeten we wachten tot 1780 dan pas wordt de compagnie opgericht in een van de zeven Merchtemse herbergen door de toenmalige Heer van Merchtem, Joannes Andreas Peytier, Meier (Burgemeester) en Notaris Petrus Franciscus de Roover, Griffier, Pachter en Brouwer Judocus van Overstraeten, en JF Stallaert. Peytier wordt eerste voorzitter, van Overstraeten wordt eerste hoofdman, JF wordt bestuurder uit hoofde van zijn vervullend ambt als "Prins" en "Facteur in de rederijkerskamers" en de jonge Philip Herckens alias "het Bieken", een bedreven toonkunstenaar uit Dendermonde, de eerste direkteur van deze muziekmaatschappij: " .... uijt eenen Hoofdman en onder amptgenoot, eenen musiek en onder musiekmeester, eenen schatmeester, eenen boetmeester die tevens ook de bedieningen van ceremoniemeester waerneemt, eenen standaertdraeger en eenen secretaris." .

De Harmonie "Sint Cecilia" met als kenspreuk "Liefde kent geen haat" was geboren.
Later werd de kenspreuk vervangen door "Eendracht maakt macht"
Wat opvalt is dat Jan Stallaert de kleinzoon van JF , de titel van "Prins in de rederijkerskamers" toevoegt. Volgens ons was JF reeds "Prins" of "Factor" en hebben deze titels niets te maken met de muziekmaatschappij. Deze titels werd gegeven door een "Rethoriekgilde" de Merchtemse rederijkerskamer,"de Witte Lelie". Het enige document dat dit staaft vinden wij bij de rederijkerskamer "de Roos" van Leuven.
Deze kamer dagtekende op 17 november 1784 " ... . aen verschijde soo binnen Brabant als stad ende lande van Mechelen hunne caerten ende wetten verleent onder andere aen die der stad Antwerpen, ........, Merchtem, Meerbeke, ......" Wat wil zeggen dat de rederijkerskamer van Merchtem haar "standregels" (lees statuten) had ontvangen van de kamer van Leuven.
De rederijkerskamers waren gezelschappen die zich bezig hielden met rijmen en het opvoeren van toneelspelen. De leden van een kamer waren verdeeld in "Hoofden" en "Kamerbroeders. De hoofden waren de Prins, de Keizer, de Deken, de Hoofdman en de Factor, (in de volksmond Facteur) een Fiskael om de orde te handhaven, een Vaandeldrager en een Zot.
De Factor was de tekstdichter van de kamer. Hij was belast met het schrijven van de gedichten, toneelstukken voor bijzondere feesten. Hij deelde de rollen uit aan de spelers en onderwees jongeren in de kunst der rhetorica . Elke facteur had een eigen kenspreuk die op zijn naam of hoedanigheid zinspeelde. De Prins was de beschermheer der kamer, terwijl de Deken de voorzitter was.
Vermoedelijk moet de rederijkerskamer van Merchtem maar een kortstondig bestaan gekend hebben, gezien er noch documenten noch verhalen bewaard zijn gebleven. Het laatste wapenfeit dateert van 26 Mei 1796 waarin de rederijkers van Merchtem "als minnaers van Reden- en Toneelkunst" onder de groepsnaam van "Yverige en Leerzuchtige jeugd" een klucht opvoerden met zang- en dansspel. "Het Leven van de H. Barbara" werd tot 19 maal toe opgevoerd in de "Zevensterre" op de Lange Steenweg.
De harmonie St Cecilia wijdde zich niet alleen aan het uitvoeren van symfonieën, maar ook aan koorzang met begeleiding van de instrumenten. Bij deze kring sluiten het grootste gedeelte van JF’ gedichten aan. Ze zijn gericht aan zijn kunstgenoten, om hen "te roemen en de weldaden der liefde en eendracht te bezingen. Voor alle plechtige omstandigheden, het planten van eenen meiboom voor den hoofdman, voor het afgaan en aftreden van den meier, de patroondag van de bestierder ....."
Zo vinden we volgende gedichten terug met betrekking tot de Harmonie :
1791 "een lied tot lof van den Heer van Merchtem" voor de Hoofdman Joannes Peytier.
1791 "Treurdicht op het afsterven van den Heer Judocus Josephus van Overstraeten" Griffier der Harmonie
1792 "Rijmgezang opgedragen aan Mr de Backer, woonende op den Bouw, door de musikanten"
1795 "Meylied opgedragen aen den Heer van Merchtem door de jongheid, met het planten van eenen meiboom"
1797 "Lofgalm op den patroondag van den edelen heer Peytier, heer der vryheid en heerlykheid van Merchtem en Hoofdman der musikanten"
1798 "Rymdicht op de compagnie der musikanten" (na een interne ruzie)
1807 "Meylied opgedragen aen de heeren de Brambilla aentredenden en J.J. van Overstraeten, aftredenden meier, bij het planten van eenen meiboom.
Flora, komt hier, onsen meyboom kransen
Met veelderley bloemen en riekende kruyt,
Opdat wy daer onder met vreugde dansen
Onder ‘t gespel van bas, van veel en fluyt !
Flora, nog eens, komt den meyboom kransen
Ciert hem met bloemen en welriekende kruyd
1811 "lied door de Harmonie opgedragen aen haren bestierder Herckens, op St Cecilia"
1812 "liedeken door de zangers der kerk opgedrgen aen Josephus Briers, tot organist benoemd na het overlyden van Laurentius Schuerewegs"
Musen, komt met uwe snaeren, Daelt, Apollo, van Parnas, 
Wilt u stemmen saemen paeren, Komt toch spoedig, spoeyt u ras
..........
Wilt de kunst, den yver pryzen van den nieuwen Organist,
Wilt hem lof en eer bewijzen Met een ongemeynen drift.
........
Gy, van allen tijd genegen Tot die spel en zang bemint,
Geeft hem uwen milden zegen, Thoont, dat hy is uwen vrind.
......
David kweelde voor den Heere, Sloeg zyn harp op maetgezang;
Ursula Gods lof vermeerde Met haer maegden daegen lang,
En Cecilia wordt gepresen Om haer konst en zang.
1814 een 4-tal dichtstukken naar aanleiding van de wederzijdse bezoeken van de vereniging van Merchtem en die van St Amands. : "Lied gesongen tot lof van Mr de Boeck van Sint-Amands"
Musen, dry mael dry, Apollo, komt by, Wilt hier versterken ons melody !
Wy niet bekwaem Onder ons te saem,
Na de, vollen eysch, Te doen eerbewys
Aen ons weerden vrind de Boeck, g’eerd, bemind ;
Minnaer van Parnas, dat wel verdient
.....
Komt hier, Water-Goon Uyt u gulde stroom, Ontwaekt nu uyt uwen slaep of droom,
Eerd ook den vrind Van Apoll’ bemind,
En Gy, Nimphen all’, Hier in ‘t lustig dal,
Maekt vreugd en joleyt, Herts genegenheid,
Thoont ook, dat gy all’ zyn vrinden zyt.
"Aenspraeke der musikaele societeit van Merchten aen de agtbaere Harmonie van Sint-Amands"
Den lang betragten dag is eyndelyk gekomen, Wy hebben, tot ons vreugd, uw blyde komst vernomen,
De hulde ende d’eer, die gy aen Merchten doet, Dat stelt ons all’ in vreugd en straat ons bly gemoed
"Liefde kent geen haet, opgedraegen aen de konstminnaers van Sint-Amands en alle hunne medeborgers" (JF beschrijft hierin de val van Napoleon)
De duysternis verdwynt, Het hemelsch licht verschynt, Gulde dagen syn gekomen,
Want Napoleon is t’end’ ! Wy zyn allen uyt d’ellend, Nu men geenen Mars meer kent.
1815 Liederen met tekst waarin JF de Napolitaanse bezetting beschrijft. Eerste vers op de bekende "wijze" van Pierlala"
Pierla uyt het graf opgestaen, Kwam my lest te gemoed
Hy bleef een weynig by my staen, ‘k Heb hem beleeft gegroet ;
Hy vroeg my of ons Musen-schaer Nog speelden als over tien jaer ?
‘k Sey jae, broer Pierlala, sa, sa, ‘k Sey jae, broer Pierlala.
.....
Hy vroeg nog of de Compagnie Was in liefd’ en eendragt,
En of de soete Harmonie Was als het voortyts plagt ?
Hy vroeg my of mynheer Peytier Nog hooftman was, dien goeden heer ?
‘k Sey jae, broer Pierlala, sa, sa, ‘k Sey jae, broer Pierlala.
.....
Pierlala was bly en wel gezint Als hy dat had verstaen;
Sey ‘t musiek word van my bemind, Dat moet altyd voorts gaen;
Die in de weireld geeft vermaek.
Gaet voorts, sey Pierlala, sa sa Gaet voorts, sey Pierlala
.......
Ik vraegden ook aen Pierlala Of hy was musikant,
En kende re, mi, fa, sol la? Ojae, seyd’ hy, sjarmant ;
Ik speel walthoren, bas en fluyt, De flute d’amour met soet geluyd,
Heel soet, sey Pierlala, sa, sa, Heel soet, sey Pierlala.
....... 
Ik vroeg hem nog of er geen nieuws Uyt Brussel wird gehoort ?
Waerop hy trock syn neus heel vies En scheen er om gestoort :
Wat wilt gy van den Brusselaer, Die dwaeser wort van jaer tot jaer,
Gaen spreken ? sey Pierlala, sa, sa, Gaen spreken? sey Pierlala
........
‘K sey Pierla, agt gy Brussel niet ? Het is een schoone stad,
Waer dat men vele vreugd geniet En rykdom boven dat?
Men vind daer menig schoone kind Dat van de jongmans word bemind.
Gespuys, sey Pierlala, sa, sa, Gespuys, sey Pierlala
Een tweede lied, op dezelfde wijze, gaat over de val van Napoleon.
Pierlala daer is nieuws in’t land, Wilt uyt u graf opstaen;
De borgers dansen hand aen hand, Gy moogt ook niet stil staen ;
‘t Kanon dat ronkt, de beyaert gaet, ‘t Musiek dat speelt, elk viert op straet.
‘K Koom stracx, sey Pierlala, sa, sa, ‘k Koom stracx, sey Pierlala
........
Pierla komt met syn broek in d’hand Geloopen op de straet
Hy sag de borgers heel plaisant, Capiteyns en soldaet ;
Kreupel en mank was op de been, Het volk dat swermden ondereen.
Geeft reen, sey Pierlala, sa, sa, Geeft reen, sey Pierlala
.........
Pierla g’hebt Bonapart gekend Dien vreeden tyran;
Hy’s nu te Londen of daer omtrent, Hy is gevangen man;
Den Engelschman heeft hem geklamt, Want hy heeft God en mensch vergramt.
Goed nieuws, sey Pierlala, sa, sa, Goed nieuws, sey Pierlala
........
Maer wat sullen zy met hem doen ? Vraegde broer Pierlala ;
Tyran, kerkschender, helsch capoen, Sou ‘er nog zyn gena !
Souden de g’Allieerden all’ Hem nog eens laeten uyt den val?
’t Waer beest, broer Pierlala, sa, sa, ‘t Waer Beest, broer Pierlala
..........
Wanneer men eens bedrogen is Van eenen slimmen guyt,
Dan is ‘er voor hem geen remis, Dan is ‘t bedriegen uyt ;
Zyn rolleken is afgespeelt, Hy word voor geen man meer gestelt.
Da’s recht zey Pierlala, sa,sa, Dat’s recht, zey Pierlala
..........
Maer was er geenen aenhang by, Wanneer hy is gepackt,
Meehelpers van syn tirany, Die ‘t land heeft geraybrackt;
Die Paus en priesters heeft geschent, Gebracht in nood en droev’ ellend ?
‘t Was veel, broer Pierlala, sa, sa, ‘t Was veel, broer Pierlala
.........
Men segt, verscheyden generaels In ‘t schip ook waeren by,
Om t’saemen in America Te maeken muytery,
En daerby hadden soo veel geld, Juweelen, dat elk staet verstelt.
Al dief, zey Pierlala, sa,sa, Al dief, zey Pierlala
.........
Maer hoe sal het met de ander gaen, Die nog zyb in de stryt,
Die Dixhuit hebben eed gedaen van hun getrouwigheid.
En die hem afgevallen zyn, Als Bonapart kwam te verschyn ?
Kop af, broer Pierlala, sa, sa, Kop ad, broer Pierlala
.......
Daer is nog een kwaey clas, verdoemt ! In Vrankryk lang bekent,
Hetwelk men Jacobienen noemt, Dat God nog koning kent.
Wie sou daer willen koning zyn, Daer soo veel goddeloose zyn ?
Ik niet, sey Pierlala, sa, sa, Ik niet, sey Pierlala
.........
Daer is nog meer ander onkruyt In ‘t Fransch en Belgisch land,
Dat moet worden getrocken uit, Door beyd’ des konings hand ;
Of anders zal hun ryk noyt staen, ‘t Goed kruyt zal door het kwaed vergaen.
Dat ‘s vast, zei Pierlala, sa, sa, Dat ‘s vast, zei Pierlala
.........
Gy koningen, let op het stuk, Sprak broeder Pierlala,
Laet ‘t ryk op geenen gebroken kruk, Opdat het niet verga ;
Stelt maanen voor ‘t Gouvernement In deugden ryk, van goed talent,
Tot g’luk, zey Pierlala ,sa ,sa, Tot g’luk, zey Pierlala
1815 "Liedeken op Sint-Seciliafeest"
1816 " Aen de Harmonie op Sint-Ceciliafeest"
1817 "Dankschrift door de Harmonie aen Mr Guiliemus Beeckman, voor het schenken van eenen turkschen beierd, 5 juni"
1817 "Dankschrift aen Mr en Mev van der Meulen, schenkende eenen luysterryken standaert"
1818 "Lofdicht aen pastor Horckmans door de Harmonie, by ‘t planten van eenen mey. 30 april"
1818 "Huwelijksdicht voor Guillielmus de Koster en Anne Maria van Innis, door de Harmonie, september 1818
1821 "Liedeken op het inkomen van Mr Maximilianus de Brambilla in Merchtem, als doctor in de rechten en advocaet, gezongen door de Harmonie met alle de instrumenten, den 15e augustus 1821
07:50 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
08-01-12
.
Tentoonstelling Mosegemnemsis
n.a.v. van het 900-jarig bestaan van de parochie Meuzegem wordt het patrimonium tentoongesteld.
U vindt de promo op deze link: http://youtu.be/PbYvf7XkCGw
18:19 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
28-12-11
Pitsemburg ..... deel 2
Oprichting Pitsemburg en Egidius "Gillis" Berthout
De eerste verworven schenking aan Pitsemburg kwam uit Oudenburg. Gillis Berthout , jongere zoon uit een der machtigste geslachten van Brabant, huwde Catharina van Belle, weduwe van Boudewijn van Grammene, kamerheer van Vlaanderen en Heer van Oudenburg. Door zijn huwelijk met Catharina erfde Gillis beide titels.
Hij nam samen met zijn vrouw deel aan de vierde kruistocht en tijdens het beleg van Damiate op 7 september 1219 in Egypte, getroffen door de overgave en de inspanningen door de Duitse Ridderorde, schonken ze hun gasthuis te Oudenburg aan het OLV-gasthuis te Mechelen, met een voorzichtige beperking : "voor zover het voogdijrecht hen toebehoort". Nog tijdens hetzelfde beleg schonken ze ook hun kapel te Oudenburg en al haar bezittingen.
Deze kapel , de Heilige Kruiskapel, werd door de Heren van Oudenburg rijkelijk begiftigd. Een volgende schenking gebeurde op 27 januari 1221 in Schriek, later nog schenkingen in Massemen, Diksmuide, , Velzeke, Huize en de Vier ambachten. Daar is zelf even Vilvoorde bij. Deze stichting kende maar een kortstondig bestaan. Het "domus sanctae Mariae Filfordensis, verkreeg op 11 april 1236 op verzoek van de Duitse broeders een aanbeveling van de paus tot de bisschop van Kamerijk om een kapelaan te benoemen. Twee jaar later deed de orde afstand van alle rechten op het gasthuis van de stad Vilvoorde en droeg dit gasthuis over aan de orde van de Heilige Augustinus.

Pas in 1247 komt Mosengem ter sprake als Wouter van Zottegem, Heer van Wolvertem en zijn vrouw Mabilia cijnzen verkopen aan de abdij van Grimbergen, waarop 14 bunders van de broeders van het Duitse Huis . (zie ook artikel "de Heren van Museghem)
Neckerspoel
Gillis Berthout treedt er op als "frater et procurator domus Theutonicorum in Brabantia" en zegelt op 13 december 1234 deze oorkonde. Het Duitse huis te Nekkerspoel kent gedurende 19 jaar een vreedzaam bestaan. Dan ontstaan er wrijvingen met het kapittel van Sint Rombouts. Offeranden die de broeders ontvingen van parochianen, moeten ze te goeder trouw afstaan. Ze mogen hun eigen broeders begraven en al wie bij hen zijn begraafplaats kiest. "si parrochiam Machliniensem voluerint inhabitare". Dan volgt Walter Berthout en de relaties vertroebelen : een overeenkomst van 2 mei 1253 met het kapittel van St Rombout waaruit blijkt dat de Duitse broeders naar de parochie Mechelen willen uitwijken. Een jaar later verkoopt Wouter Berthout goederen aan Arnoldus van Triest met vermelding " de koper mag over al deze goederen beschikken, hij mag ze schenken aan de Cistercienzers, aan de tafels van de Heilige Geest of gelijk welke geestelijken binnen de heerlijkheid Mechelen, maar NIET aan het Huis der Duitsers.
Pitsemburg
De Orde bleef bij de hogere instanties hameren op de vrijstelling van belastingen : op hun commanderij en op een hoeve genaamd " Hof te Betzembroek ". Pas in 1264 stelde paus Urbanus IV de Orde vrij van lasten voor herstelling van muren, bruggen en wallen. Waarom dit hof hierbij betrokken is doet vermoeden dat het een vroegere schenking moet zijn.
Hypothese 1 : De omvorming van de ridderorde op 5 maart 1198 werd gedaan in het bijzijn van de hertog van Brabant en vermits Wouter III Berthout kamerheer was van de hertog en hem enigszins vergezelde op de Kruistocht, moet hij toen een schenking hebben gedaan, "de hoeve van Betzembroeck".
Hypothese 2 : De schenking van "het Hof van Betzembroeck" komt van Gillis tijdens het beleg van Damiate in 1219 voor de hulp aan zijn broer Wouter Berthouts , die tijdens de belegering en inname van Damiate werd gewond en in het hospitaal van de Duitse Ridderorde werd verpleegd. Ook Wouter deed toen zijn gift van op zijn sterfbed : "Wouter Berthout, Brabantse edele en Heer van Mechelen, laat weten aan zijn broeder Gillis en aan zijn eigen zonen Wouter en Hendrick, dat hij, in het leger der Kruisvaarders bij Damiate liggend, ziek van lichaam doch helder van geest, aan het Ste-Maria-hospitaal der Teutonische Ridderorde te Jeruzalem geschonken heeft, 24 bunder beemden in "Rama" en 6 bunder harde grond in "Grotlo" tot zielerust van zijn voorouders en opdat God zich over ............"
We veronderstellen dat deze hofstede de eerste zetel was, nog voor de Orde over de kapel van Nekkerspoel beschikten. Na het verlaten van de kapel van Nekkerspoel vervangt de Orde, in herinnering aan hun eerste vestiging en in navolging van het in de Duitse Ridderorde gebruikelijke achtervoegsel, het oorspronkelijke "broek" door "burg" en zo komen we tot de nieuwe naam "Pitsemburg".
Mösenghem
In 1294 verkopen Walterus de Museghem en zijn broers Christianus en Arnoldus hun hofstede aan de Duitse orde. Deze verzamelen alle goederen, giften en schenkingen in de streek en brengen deze onder in een "leenhof". Het "Hof te Museghem" dat ook als "laathof" in deze verzameling is ondergebracht wordt de zetel van het "Leenhof van Pitsenburh te Mösenghem".
Jaarlijks moet iedereen de cijnzen te Meuzegem komen betalen aan de rentmeester van het hof, die eveneens optrad als griffier om de jaarlijkse maanboeken in te vullen. Wij zullen op een later tijdstip dit leenhof bespreken en er de nuttige informatie uithalen om de geschiedenis van Meuzegem verder aan te vullen.
De Commanderij Pitsemborg te Mechelen

De praal van de commanderij was indertijd zo bekend dat zij geregeld dienst deed als residentie voor voorname personen. Van de rijk gestoffeerde oorspronkelijke inrichting, de fraaie lambriseringen, het wandbehang en het goudleder blijft helaas niets meer over, behalve een hangende spiraaltrap met sierlijke eiken aanzet en de gekleurde glasmotieven in de grote toegangsdeuren. De onterving van de patrimonia na de Franse revolutie zorgde voor een geleidelijke afgang en verbrokkeling. In 1827 kwam het hele domein in handen van de stad Mechelen die er hun slecht behuisde stadscollege in onderbracht. De onderwijsinstelling kreeg meteen een nieuwe naam : "College Communal de Pitzembourg " Het klerikale stadsbestuur sloot met het Aartsbisdom een om de tien jaar te vernieuwen overeenkomst af. In 1863, na het verstrijken van weer een 10-jarige termijn, wilde het stadsbestuur een wetenschappelijke afdeling toevoegen onder toezicht van het College van Burgemeester en Schepenen, wat door de aartsbischop niet aanvaard werd. Na jaren van strubbelingen besloot de gemeenteraad in 1881 het college over te dragen aan de staat.

Koninklijk Atheneum Pitzemburg was geboren. Zij draagt in haar logo zowel de wapens van de stad Mechelen als de pelicaan uit de wapenzegels van de Commanderij. De pelicaan staat voor het vroeg-middeleeuwse symbool van de legendarische zelfopoffering om andermans leven te redden alsook voor altruïsme en barmhartigheid.
17:48 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
24-12-11
PITSEMBURG .....................deel 1
DOMUS beate Marie THEUTONICORUM Jerosolimitanorum in Machlinia et Mösenghem.
Ridders en kruistochten worden steevast met mystieke waas omgeven. Het spreekt tot ieders verbeelding en hierbij worden , jammer genoeg, mythen gecreëerd, foutieve interpretaties, manke veronderstellingen en discrepanties. Voortdurend worden deze gegevens overgenomen en via de media losgelaten; de webblogs en forums op het internet puilen uit van voorgekauwde onzin. Ik maak er mijn opdracht van om de literaire bronnen realistisch weer te geven. Je moet soms de economische en politieke beweegredenen van een oorkonde weten te achterhalen.
We starten het verhaal tijdens de kruistochten.
Oprichting
De Duitse ridderorde, de jongste van de drie grote ridderorden, naast de Tempeliers en de Johannieters (Orde van Malta) dankt ook haar ontstaan aan de kruistochten.
In °1118 stichtte een Duits echtpaar een gasthuis te Jeruzalem voor hun talrijke taalgenoten die als pelgrims het Heilig Graf kwamen bezoeken. De patriarch van Jeruzalem stemde erin toe dat bij dit gasthuis ter ere van Maria een kapel opgericht werd. 70 jaar later in °1187 met de verovering van Jeruzalem door sultan Saladin, verdween dit gasthuis dat de zetel zou worden van de nog te stichten ridderorde.
Het eigenlijke ontstaan van de orde gaat terug tot het beleg van Akko, midden °1190 toen burgers uit Bremen en Lübeck een veldhospitaal oprichtten voor de Duitsers die deelnamen aan de 3e kruistocht onder leiding van de Duitse keizer Frederick Barbarossa. Dit is inderdaad vreemd want de oudste oorkonde met vermelding van giften is van voor 13 maart 1190. In datzelfde jaar verdronk de keizer en nam zijn zoon Frederick van Schwaben dit veldhospitaal onder zijn bescherming en droeg de leiding ervan op aan zijn kapelaan Conradius. Diezelfde Conradius vormde het hospitaal om tot een gasthuisorde met als grondslag de regel van de Johanietters, beter bekend onder de naam " orde van Malta".
Op 6 februari 1191 keurde paus Clementius III de stichting goed.
De Ridderorde :
Sinds 1198 droegen de ridders dan ook, net als de tempeliers, de witte mantel ipv de zwarte mantel met het witte kruis. Tijdens veldtochten droegen ze een rode mantel met zwart kruis. De omvorming tot ridderorde werd op 19 februari 1199 door paus Innocentius III bevestigd als "hospitale sancte Marie Theutonicorum Iherosolimitanorum "
Tot op heden leeft zij als geestelijke orde voort.
Hun ideaal was het verenigen van ridderschap en geestelijk leven. De grondslag hiervoor was kuisheid, gehoorzaamheid tot de dood en armoede, waarmee leven zonder eigen bezit bedoeld werd. Alle leden moesten ook geheel of gedeeltelijk het zwarte kruis dragen.
Enkel wie van adel was kon als ridderbroeder toetreden. Dit diende door twee getuigen te worden bevestigd. In de 16e eeuw waren vier kwarieren adellijke voorouders vereist, te staven door schriftelijke bewijzen. Doch niet alle leden waren ridders. Voor priesters was geen adellijke herkomst vereist ; ook personen met lagere wijdingen werden aanvaard. Onder de andere niet-ridderlijke leden kwamen eerst de "seriantbroeders", wapendragers, die echter de volle uitrusting en ook niet een witte, maar een grauwe mantel droegen. Hun aantal was zeer groot, doch ze verdwenen in de 16e eeuw.
Lekenbroeders legden de geloften af en stonden in voor alle werk. Ze droegen een grauwe mantel met een half kruis. Voorwaarden voor aanneming waren : geen lichamelijke gebreken, geen schulden en een jaar proeftijd. Bij de orde hoorde ook een groot aantal dienstboden , "in caritate" of tegen loon, wapenknechten en "sängerknaben" voor het officie. Veel commanderijen werden zo een "Herrensitz", met een commendator, een priester en een rentmeester, als de priester niet beide functies cumuleerde.

Aan het hoofd van de Duitse Ridderorde stond de hoogmeester . Hij werd voor het leven verkozen door een raad van dertien kiezers, waarvan acht ridders, vier broeders en een priester. Toen in 1229 Jeruzalem heroverd werd, kon de Duitse Ridderorde haar intrek nemen in het vroegere gasthuis en kreeg zo aansluiting met haar voorgeschiedenis. Amper 15 jaar bleef de hoofdzetel daar gevestigd. Toen de stad in 1244 opnieuw verloren ging, werd de hoofdzetel tot 1291 naar Akko overgebracht, dan bleef de zetel 18 jaar lang in Venetië. In 1309 verplaatste de hoogmeester zijn residentie naar Marienburg. In dit gebied, dat graan, honing, was, barnsteen, eikenhout, jachtvalken en pelzen leverde, kon een uitgebreide handel uitgebouwd worden.
Structuur :
De organisatie van de orde berustte op de vereniging van verschillende commanderijen in een provincie, "balije" genaamd, met aan het hoofd een landcommendator. Twee balijen strekten zich volledig over de Lage Landen uit : de eerste in het noorden met als zetel Utrecht, een tweede met Oude-Biezen in 1220 te Rijkhoven. Een derde balije , Koblenz had ook goederen in de lage landen.

Waarom Pitsenburg te Mechelen , zo ver afgelegen van Koblenz, niet ingedeeld werd bij Ouden-Biezen kunnen we slechts vermoeden. De balije Biezen was al rijkelijk voorzien en Koblenz kon de rijke inkomsten uit Brabant en ook uit Vlaanderen best gebruiken. Ene Egidius Berthout treedt in 1234 op als "frater et procurator domus Theutonicorum in Brabantia". Aangezien het hier over de kapel van Nekkerspoel gaat, mogen we aannemen dat dit de zetel van het Huis in Brabant was. Pas op 28 oktober 1269 is er sprake van een vestiging te Mechelen onder "Jacob, commendator van de broeders van het Duitse Huis te Mechelen".
18:17 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit
19-12-11
1742 .......het testament van Benedictus Darthé ....... pastoor Meuzegem
Benedictus Joannes Darthé °Brussel 25.02.1722 +Meuzegem 03.09.1794
In 1742 legde hij plechtig zijn gelofte af in Dielegem, werd priester in 1745 en daarna onderpastoor in verschillende parochies, waaronder te Heembeek in 1767. Daarna werd hij supprior en provisor van de abdij van Dielegem en tenslotte was hij bijna 20 jaar zieleherder in Meuzegem van 02.04.1775 tot 03.09.1794. Hij stierf ten gevolge van een buikloop; volgens sommige bronnen was dit te wijten aan de plagerijen van de Franse heersers tegenover de Christelijke gemeenschap.
Net voor hij in 1742 zijn gelofte aflegde maakte hij een testament op voor de Brusselse notaris Damiens. Hij begunstigde voor 200 gulden de prior van de abdij van Dielegem, EH Joannes de Becker, voor zijn opleiding binnen de abdij tot en met het celebreren van zijn eerste mis. Hij voorziet 600 gulden voor zijn voogd die de som zal beleggen en waarvan de intrest, (a ratio van 10 stuyvers per mis) zal besteed worden aan de gedenkmissen voor zijn ouders, grootouders en vrienden. Zijn kozijn Michael Stillemans zal 600 gulden ontvangen en beleggen met een lijfrente van 3.5 %. De overschot gaat naar twee juffrouwen: Carolina van der vorst en zijn nichtje Elisabeth van der Linden.
"Op heden den terthiensten september seventhien hondert twee en viertigh comparerende voor mij onderghescreven als openbaeren notaris geadmitteert in haere majesteydts souvereijnen raede geordonneert in brabant tot brussele residerende, ende in de presentie van de getuijghen naergenoempt den heere benedictus joannes Darthé ongheprofest religeus in d’ordre van den heylighen norbertus binnen de vermaerde abdije van Dielegem , gesont van lichaem, gaende ende staende, sijne memorie verstant, ende sinnen over alles machtigh wesende, gelijck aen mij notatie, ende de naergenoempde getuijghen volcomentlijck is ghebleken, den welcken alsoo hij van intentie is soo tot meerdere eere, ende glorie godts, als tot saeligheijdt sijnder siele metten eersten, ofte naer weijnighe daghen te doen sijne sollemnele professie in de voorschreve abdije van Dieleghem, dan heeft eerst ende vooral willen maecken ongedwonghen van jemandt vuijt sijnen eijghen, ende vrijen wille dit sijn testament, ende ordonantie van vuijttersten wille willende, ende begeerende dat het selve sal stadt grijpen, ende sijn volcommen effect sorteren het sij bij forme van testament, codicille donatie tusschen de levende, ofte ter saecke van de doodt, ende anderssints , soo ende gelijck een christen mensche testament alden best naer de geestelijcke, ende werelijcke rechten soude connen ofte moghen subsisteren niet tegenstaende alle sollemniteyden van recht en de costuijme wegen gerequileert in dese niet en waeren geobserveert aen de welke hij mits desen wel expresselijck heeft gederogeert, revocerende tot dien ende wederroepende alle voorgaende testamenten, codicillen, ende alle andere maechagien ofte specien van vuijttersten wille bij hem testateur hiervooren ons eenighsinds ghemaeckt tot sij voor notaris ofte ander signature in den eersten heeft hij heere bestateur sijne aenstaende met godtsgratie te doene professie gerecommandeert in handen van godt almachtigh sijnen schepper, ende salighmaecker, maria sijne ghebenedijde moeder, den heijlighen norbertus, ende allen het hemelchgeselschap verhopende dat de selve sal gheschieden soo tot meerdere eere, ende glorie godts als tot saligheijdt sijnder siele alsvoren.
waermede comende ter dispositie van sijne tijdelijcke goederen hem bij godt almachtigh op desen wereldt verleent, wilt, ende begeert hij testateur dat vuyt sijne naerlaetenteijdt sal worden ter handt ghestelt aen sijnen eerweerdighen heere prior een somme van twee hondertvijftigh guldens courant gheldt, het gene sal dienen tot sijne noodtsaeckelijckheijdt, het welck hij sal noodigh hebben tot den dagh van het cellebreren van sijne eerste misse.
Item is den wille, ende begeerte van hem heere testateur dat sijnen gewesenen momboir sal aenleggen op lijfrente eene somme van sesse hondert guldens courant gelt ten lijve van hem testateur om voor den interest van dien gecellebreert te worden soo vele missen van requiem tot laeffenisse van de sielen van sijne ouders, grootouders, en de andere overledene vrienden, als den selven interest jaerelijcks sal vuijt brenghen a rathe van thien stuijvers jeder misse.
ende ingevalle sieur michiel stillemans sijns testateurs cosijn de voorschreve somme van sesse hondert guldens courant gelt wilt behouden op erffrente a rathe van drij ende een half parcento tot datter sal gevonden worden eene occasie om die ter lijffrente aen de leggen dat het hem sal gepermitteert sijn ende daer van optie, ende keus hebben.
verclaerende voorts hij testateur dat alle sijne schulden voldaen sijnde, ende alle sijne noodtsaeckelijckheijdt alnoch noodigh hebbende betaelt, ende besorght sijnde, den wille, ende begeerte te sijn van hem testateur dat hem allen den overschot van sijne naerlaetentijdt sal gheproffiteert, ende genoten worden door jouffrouwe Carolina de foret, dochter josephus de foret, ende elisabeth van der linden sijne testateurs nichte.
preserverende hij nochtans testateur hier inne de macht, ende faculteijdt om dit sijn testament, ende ordonnantie van vuijtersten wille te revoceren, annulleren, veranderen, verminderen, ende corrigeren, soo dickwils hem dat goetduncken, ende ghelieven sal.
ende aen den heere testateur, ende getuijghen door mij notario ghevraeght sijnde ofte sij conden schrijven, hebben alle geantwoordt dat jae.
Aldus gedaen, ende ghepasseert binnen de voorschreve abdije van dielegem, ten daeghe, maende ende jaere voorschreven ter presentie van jan de Becker, en maximilianus Buijs als getuijghen hier over gheroepen, ende ghebeden sijnde de minute deser becleedt met eenen segel van twelf stuijvers bij den voorschreven heere testateur, ende getuijghen beneffens mij notario onderteeckent s. quod attestor. q: Damiens nots 1742.
12:31 Gepost door email : willempy@skynet.be | Email dit

