21-01-12

de MUSE van Meuzegem ..... Jan-Frans Stallaert deel 1

lourdes cc 1980 3 002.jpgIn 1868 schrijft Karel Frans Stallaert , letterkundige, filoloog, archivaris, leraar, publicist, taal- en geschiedkundige, kleinzoon van Jan-Frans Stallaert, een brief aan zijn kinderen met daarin de mededeling dat hij de gebundelde gedichten van zijn grootvader gaat uitgeven.

"Uw overgrootvader had onze moedertaal lief en heeft die op eene niet gansch onverdienstelijke wijze in dichtmaat beoefend. Indien ons Dietsche Vaderland de gerustheid in zijn bestaan had mogen blijven genieten, welke de vereeniging met Noord-Nederland het geschonken had, zou ik de zwakke voortbrengsels zijner pen wellicht onwaardig geacht hebben van den schat onzer Nederlandsche dichters. Edoch, de dreigende gevaren waaraan onze volksgeest is blootgesteld, en de zucht, die mij bezielt, om dezen zoo laat mogelijk in de toekomst levend te houden, hebben mij aangezet om de keurigste gedichten van uwen overgrootvader openbaar te maken, opdat gij het U, des noods daardoor, tot plicht maakt uwe Vlaamsche nationaliteit getrouw te blijven, en dat de trouw geblevene Vlamingen er een middel aan hebben om U, des noods, ‘t welk God verhoede ! Tot het Germaansch element terug te roepen.

In desen geest wijd ik U de Dichterlijke nalatenschap toe van uwen grootvader, en zegen U,

uw vader,      Karel-Frans Stallaert

Schaarbeek, den 23sten september 1868."d'ours.jpg

 

 

 

 

  

Joannes Franciscus is geboren op een hofstede te Meuzegem , niet ver van de pastorij  ..........  heden Meuzegemstraat 88 , waar enkele generaties geleden het gezin d’Ours-van Hemelrijk en d’Ours-d’Ours heeft gewoond.

 

 

 

 

 

J.F. is er geboren op 3 december 1751 en een dag later gedoopt als "Franciscus". Hij was de zoon van landbouwer Adrianus Stallaert en Elisabeth Stallaert . (Adriaan trouwde met zijn nicht Betteken, die 100 meter verder woonde op het Hof ter Eyken) Het gezin bestaande uit 9 kinderen kende veel pech en had vooral af te rekenen met ziekten.  Zo stierven in 1746 op minder dan 2 weken tijd vier van hun kinderen, Joos 2 jaar, Adriaen 4 jaar, Jan-Frans 8 jaar en Jacobus 15 jaar.  Twee jaar later begroeven ze Jan-Frans amper 2 jaar oud en op 4 december 1751 stierf moeder Elisabeth bij de geboorte van een tweeling. Een doodgeboren kind nog snel gedoopt door de vroedvrouw werd samen met de moeder begraven en de andere zoon werd "gebaptiseerd" als Franciscus, maar kreeg later "Jan" als voornaam. Vader Adriaen bleef achter met Jan-Frans, de kleine Barbara 3 jaar, Anna Maria 11 jaar , Jan Baptist 16 jaar en Hendrik 18 jaar. Vermoedelijk bekwam vader Adriaen een deel van de erfenis van vrouw Elisabeth en kon hij zich in 1759, na de dood van zijn schoonmoeder Catharina Timmermans, vestigen in het Hof ter Eycken.

 

maalderij 3.JPGDe kleine J.F. werd toevertrouwd aan zijn tante Anna Maria en oom Joannes Baptist van Elewyt, die bakker was te Merchtem op de verbrande hofstee op de Varkensmarkt. (heden Cafe Maalderij)  

Zij bleven kinderloos maar de kleine JF werd goed opgevangen. Zijn oom stuurde hem op jeugdige leeftijd naar de plaatselijke dorpsschool in de hoop een bekwame opvolger te hebben, en dat werd hij later ook , bakker op dezelfde hofstede.

 

Net 20 geworden stuurde zijn oom hem naar Brussel "om zich ook met de fransche taal gemeenzaam te maken"

 

brambilla de flecheres.jpg Zijn latere boezemvriend Christophorus Brambilla de Flesschieres , burgemeester van Merchtem, dicht hem toe :

Moesten hem zijn vrienden zoeken,

Zij vonden hem op eenen kant      Met eenen boek of schrift in d’hand.

't Zij voor het schieten op de doelen, 

‘t Zij voor het kappen naar den haan,     Of ‘t bollen op de rollebaan ;

‘t Zij om den vogel af te lappen,       ‘t Zij om te vezelen of te klappen, 

Of om te kaatsen met den bal,       Hij was den eersten overal. 

 

Cats.jpgVondel 2.jpg

JF was een liefhebber van muziek, speelde clarinet en fluit en had de kunst van het dansen behoorlijk onder de knie.

Toch verzuimde hij de dichterlijke muze niet ..... vooral Judocus van den Vondel en Jacobus Cats worden zijn afgoden.

 

 

Vond men hem weer met vlaemsche boeken ,  Zitten op kanten en in hoeken

Op d’uer dat men in ‘t bed nog ligt,  Aen ‘ t maeken van een nieuw gedicht.

 

Rond 1750 broeide er al iets in Merchtem om de muziekkunsten te bundelen. In 1777 werd de basis gelegd voor een Muziekmaatschappij. Zo staat het geschreven in een dokument van 1817 :" Dankschrift ..... opgedragen aan Sieur Guillielmus Beeckmans en zijne echtgenote door de Harmonie van Merchtem ..... en omdat gij komt binnen de Merchtemse Harmonie omtrent veertig jaar gewis begonst ......." 

Officieel moeten we wachten tot 1780 dan pas wordt de compagnie opgericht in een van de zeven Merchtemse herbergen door de toenmalige Heer van Merchtem, Joannes Andreas Peytier, Meier (Burgemeester) en Notaris Petrus Franciscus de Roover, Griffier, Pachter en Brouwer Judocus van Overstraeten, en JF Stallaert. Peytier wordt eerste voorzitter, van Overstraeten wordt eerste hoofdman, JF wordt bestuurder uit hoofde van zijn vervullend ambt als "Prins" en "Facteur in de rederijkerskamers" en de jonge Philip Herckens alias "het Bieken", een bedreven toonkunstenaar uit Dendermonde, de eerste direkteur van deze muziekmaatschappij: " .... uijt eenen Hoofdman en onder amptgenoot, eenen musiek en onder musiekmeester, eenen schatmeester, eenen boetmeester die tevens ook de bedieningen van ceremoniemeester waerneemt, eenen standaertdraeger en eenen secretaris." . 

vaandelzon.jpg

 

 

De Harmonie "Sint Cecilia" met als kenspreuk "Liefde kent geen haat" was geboren.

Later werd de kenspreuk vervangen door "Eendracht maakt macht"

 

 

 

 

Wat opvalt is dat Jan Stallaert de kleinzoon van JF , de titel van "Prins in de rederijkerskamers" toevoegt. Volgens ons was JF reeds "Prins" of "Factor" en hebben deze titels niets te maken met de muziekmaatschappij. Deze titels werd gegeven door een "Rethoriekgilde" de Merchtemse rederijkerskamer,"de Witte Lelie". Het enige document dat dit staaft vinden wij bij de rederijkerskamer "de Roos" van Leuven.   

Deze kamer dagtekende op 17 november 1784 " ... . aen verschijde soo binnen Brabant als stad ende lande van Mechelen hunne caerten ende wetten verleent onder andere aen die der stad Antwerpen, ........, Merchtem, Meerbeke, ......" Wat wil zeggen dat de rederijkerskamer van Merchtem haar "standregels" (lees statuten) had ontvangen van de kamer van Leuven.

_lit003199401_01ill120.JPGDe rederijkerskamers waren gezelschappen die zich bezig hielden met rijmen en het opvoeren van toneelspelen. De leden van een kamer waren verdeeld in "Hoofden" en "Kamerbroeders. De hoofden waren de Prins, de Keizer, de Deken, de Hoofdman en de Factor, (in de volksmond Facteur) een Fiskael om de orde te handhaven, een Vaandeldrager en een Zot.  

De Factor was de tekstdichter van de kamer. Hij was belast met het schrijven van de gedichten, toneelstukken voor bijzondere feesten. Hij deelde de rollen uit aan de spelers en onderwees jongeren in de kunst der rhetorica . Elke facteur had een eigen kenspreuk die op zijn naam of hoedanigheid zinspeelde. De Prins was de beschermheer der kamer, terwijl de Deken de voorzitter was.  

Vermoedelijk moet de rederijkerskamer van Merchtem maar een kortstondig bestaan gekend hebben, gezien er noch documenten noch verhalen bewaard zijn gebleven. Het laatste wapenfeit dateert van 26 Mei 1796 waarin de rederijkers van Merchtem "als minnaers van Reden- en Toneelkunst" onder de groepsnaam van "Yverige en Leerzuchtige jeugd" een klucht opvoerden met zang- en dansspel. "Het Leven van de H. Barbara" werd tot 19 maal toe opgevoerd in de "Zevensterre" op de Lange Steenweg.  

Logo.jpgDe harmonie St Cecilia wijdde zich niet alleen aan het uitvoeren van symfonieën, maar ook aan koorzang met begeleiding van de instrumenten. Bij deze kring sluiten het grootste gedeelte van JF’ gedichten aan. Ze zijn gericht aan zijn kunstgenoten, om hen "te roemen en de weldaden der liefde en eendracht te bezingen. Voor alle plechtige omstandigheden, het planten van eenen meiboom voor den hoofdman, voor het afgaan en aftreden van den meier, de patroondag van de bestierder ....."

 

Zo vinden we volgende gedichten terug met betrekking tot de Harmonie :

1791 "een lied tot lof van den Heer van Merchtem" voor de Hoofdman Joannes Peytier.

1791 "Treurdicht op het afsterven van den Heer Judocus Josephus van Overstraeten" Griffier der Harmonie

1792 "Rijmgezang opgedragen aan Mr de Backer, woonende op den Bouw, door de musikanten"

1795 "Meylied opgedragen aen den Heer van Merchtem door de jongheid, met het planten van eenen meiboom"

1797 "Lofgalm op den patroondag van den edelen heer Peytier, heer der vryheid en heerlykheid van Merchtem en Hoofdman der musikanten"

1798 "Rymdicht op de compagnie der musikanten" (na een interne ruzie) 

1807 "Meylied opgedragen aen de heeren de Brambilla aentredenden en J.J. van Overstraeten, aftredenden meier, bij het planten van eenen meiboom.  

meiboom 1.JPGFlora, komt hier, onsen meyboom kransen 

Met veelderley bloemen en riekende kruyt, 

Opdat wy daer onder met vreugde dansen 

Onder ‘t gespel van bas, van veel en fluyt ! 

Flora, nog eens, komt den meyboom kransen 

Ciert hem met bloemen en welriekende kruyd

 

 

1811 "lied door de Harmonie opgedragen aen haren bestierder Herckens, op St Cecilia" 

1812 "liedeken door de zangers der kerk opgedrgen aen Josephus Briers, tot organist benoemd na het overlyden van Laurentius Schuerewegs" 

Musen, komt met uwe snaeren,     Daelt, Apollo, van Parnas, apollo 1.jpg

Wilt u stemmen saemen paeren,     Komt toch spoedig, spoeyt u ras

.......... 

Wilt de kunst, den yver pryzen      van den nieuwen Organist,

Wilt hem lof en eer bewijzen       Met een ongemeynen drift.

........

Gy, van allen tijd genegen         Tot die spel en zang bemint,

Geeft hem uwen milden zegen,       Thoont, dat hy is uwen vrind.

......

David kweelde voor den Heere,     Sloeg zyn harp op maetgezang;

Ursula Gods lof vermeerde       Met haer maegden daegen lang,

En Cecilia wordt gepresen       Om haer konst en zang. 

 

1814 een 4-tal dichtstukken naar aanleiding van de wederzijdse bezoeken van de vereniging van Merchtem en die van St Amands. : "Lied gesongen tot lof van Mr de Boeck van Sint-Amands"  

Musen, dry mael dry,     Apollo, komt by,      Wilt hier versterken ons melody ! 

Wy niet bekwaem          Onder ons te saem,    

Na de, vollen eysch,       Te doen eerbewys 

Aen ons weerden vrind     de Boeck, g’eerd, bemind ;

Minnaer van Parnas,          dat wel verdient    

 ..... 

Komt hier, Water-Goon    Uyt u gulde stroom,    Ontwaekt nu uyt uwen slaep of droom,

Eerd ook den vrind       Van Apoll’ bemind,  

En Gy, Nimphen all’,      Hier in ‘t lustig dal,

Maekt vreugd en joleyt,     Herts genegenheid,   

Thoont ook,       dat gy all’ zyn vrinden zyt.   

 

"Aenspraeke der musikaele societeit van Merchten aen de agtbaere Harmonie van Sint-Amands"

Den lang betragten dag is eyndelyk gekomen,     Wy hebben, tot ons vreugd, uw blyde komst vernomen,

De hulde ende d’eer, die gy aen Merchten doet,     Dat stelt ons all’ in vreugd en straat ons bly gemoed

 

"Liefde kent geen haet, opgedraegen aen de konstminnaers van Sint-Amands en alle hunne medeborgers" (JF beschrijft hierin de val van Napoleon)

De duysternis verdwynt,     Het hemelsch licht verschynt,     Gulde dagen syn gekomen,

Want Napoleon is t’end’ !      Wy zyn allen uyt d’ellend,    Nu men geenen Mars meer kent. 

 

1815 Liederen met tekst waarin JF de Napolitaanse bezetting beschrijft. Eerste vers op de bekende "wijze" van Pierlala"

Pierla uyt het graf opgestaen,       Kwam my lest te gemoed

Hy bleef een weynig by my staen,     ‘k Heb hem beleeft gegroet ;

Hy vroeg my of ons Musen-schaer     Nog speelden als over tien jaer ?

‘k Sey jae, broer Pierlala, sa, sa,     ‘k Sey jae, broer Pierlala.

.....peytier.JPG

Hy vroeg nog of de Compagnie     Was in liefd’ en eendragt,

En of de soete Harmonie         Was als het voortyts plagt ?

Hy vroeg my of mynheer Peytier     Nog hooftman was, dien goeden heer ?

‘k Sey jae, broer Pierlala, sa, sa,     ‘k Sey jae, broer Pierlala.

.....

Pierlala was bly en wel gezint      Als hy dat had verstaen; 

Sey ‘t musiek word van my bemind,     Dat moet altyd voorts gaen;

Die in de weireld geeft vermaek.    

Gaet voorts, sey Pierlala, sa sa      Gaet voorts, sey Pierlala 

.......

Ik vraegden ook aen Pierlala         Of hy was musikant,  

En kende re, mi, fa, sol la?      Ojae, seyd’ hy, sjarmant ;   

Ik speel walthoren, bas en fluyt,    De flute d’amour met soet geluyd,

Heel soet, sey Pierlala, sa, sa,     Heel soet, sey Pierlala.

....... mannekenpis.jpg

Ik vroeg hem nog of er geen nieuws      Uyt Brussel wird gehoort ? 

Waerop hy trock syn neus heel vies       En scheen er om gestoort :  

Wat wilt gy van den Brusselaer,     Die dwaeser wort van jaer tot jaer,

Gaen spreken ? sey Pierlala, sa, sa,     Gaen spreken? sey Pierlala

........

‘K sey Pierla, agt gy Brussel niet ?      Het is een schoone stad, 

Waer dat men vele vreugd geniet     En rykdom boven dat?    

Men vind daer menig schoone kind     Dat van de jongmans word bemind.

Gespuys, sey Pierlala, sa, sa,        Gespuys, sey Pierlala

 

Een tweede lied, op dezelfde wijze, gaat over de val van Napoleon.

Pierlala daer is nieuws in’t land,         Wilt uyt u graf opstaen;  

De borgers dansen hand aen hand,     Gy moogt ook niet stil staen ;  

‘t Kanon dat ronkt, de beyaert gaet,   ‘t Musiek dat speelt, elk viert op straet. 

‘K Koom stracx, sey Pierlala, sa, sa,      ‘k Koom stracx, sey Pierlala

........ 

Pierla komt met syn broek in d’hand       Geloopen op de straet   

Hy sag de borgers heel plaisant,       Capiteyns en soldaet ;  

Kreupel en mank was op de been,      Het volk dat swermden ondereen.  

Geeft reen, sey Pierlala, sa, sa,      Geeft reen, sey PierlalaNapoleon-Bonaparte.jpg

.........

Pierla g’hebt Bonapart gekend       Dien vreeden tyran; 

Hy’s nu te Londen of daer omtrent,        Hy is gevangen man; 

Den Engelschman heeft hem geklamt,      Want hy heeft God en mensch vergramt.

Goed nieuws, sey Pierlala, sa, sa,       Goed nieuws, sey Pierlala

........

Maer wat sullen zy met hem doen ?        Vraegde broer Pierlala ; 

Tyran, kerkschender, helsch capoen,     Sou ‘er nog zyn gena ! 

Souden de g’Allieerden all’      Hem nog eens laeten uyt den val?

’t Waer beest, broer Pierlala, sa, sa,     ‘t Waer Beest, broer Pierlala

 

..........

Wanneer men eens bedrogen is       Van eenen slimmen guyt, 

Dan is ‘er voor hem geen remis,        Dan is ‘t bedriegen uyt ; 

Zyn rolleken is afgespeelt,       Hy word voor geen man meer gestelt. 

Da’s recht zey Pierlala, sa,sa,      Dat’s recht, zey Pierlala

.......... 

Maer was er geenen aenhang by,      Wanneer hy is gepackt,

Meehelpers van syn tirany,         Die ‘t land heeft geraybrackt; 

Die Paus en priesters heeft geschent,       Gebracht in nood en droev’ ellend ?

‘t Was veel, broer Pierlala, sa, sa,       ‘t Was veel, broer Pierlala

.........

Men segt, verscheyden generaels         In ‘t schip ook waeren by, 

Om t’saemen in America        Te maeken muytery, 

En daerby hadden soo veel geld,        Juweelen, dat elk staet verstelt. 

Al dief, zey Pierlala, sa,sa,         Al dief, zey Pierlala

......... 

Maer hoe sal het met de ander gaen,       Die nog zyb in de stryt, 

Die Dixhuit hebben eed gedaen        van hun getrouwigheid. 

En die hem afgevallen zyn,    Als Bonapart kwam te verschyn ? 

Kop af, broer Pierlala, sa, sa,       Kop ad, broer Pierlala

....... 

Daer is nog een kwaey clas, verdoemt !      In Vrankryk lang bekent,      

Hetwelk men Jacobienen noemt,    Dat God nog koning kent.      

Wie sou daer willen koning zyn,    Daer soo veel goddeloose zyn ?    

Ik niet, sey Pierlala, sa, sa,       Ik niet, sey Pierlala

.........    

Daer is nog meer ander onkruyt       In ‘t Fransch en Belgisch land,

Dat moet worden getrocken uit,      Door beyd’ des konings hand ;

Of anders zal hun ryk noyt staen,      ‘t Goed kruyt zal door het kwaed vergaen.

Dat ‘s vast, zei Pierlala, sa, sa,       Dat ‘s vast, zei Pierlala

......... 

Gy koningen, let op het stuk,     Sprak broeder Pierlala, 

Laet ‘t ryk op geenen gebroken kruk,      Opdat het niet verga ; 

Stelt maanen voor ‘t Gouvernement        In deugden ryk, van goed talent, 

Tot g’luk, zey Pierlala ,sa ,sa,        Tot g’luk, zey Pierlala 

 

1815 "Liedeken op Sint-Seciliafeest" 

1816 " Aen de Harmonie op Sint-Ceciliafeest" 

1817 "Dankschrift door de Harmonie aen Mr Guiliemus Beeckman, voor het schenken van eenen turkschen beierd, 5 juni" 

1817 "Dankschrift aen Mr en Mev van der Meulen, schenkende eenen luysterryken standaert" 

1818 "Lofdicht aen pastor Horckmans door de Harmonie, by ‘t planten van eenen mey. 30 april" 

1818 "Huwelijksdicht voor Guillielmus de Koster en Anne Maria van Innis, door de Harmonie, september 1818 

1821 "Liedeken op het inkomen van Mr Maximilianus de Brambilla in Merchtem, als doctor in de rechten en advocaet, gezongen door de Harmonie met alle de instrumenten, den 15e augustus 1821 

07:50 Gepost door email : willempy@skynet.be | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.